Nieuwe precontractuele informatieplicht voor distributie- en franchiseovereenkomsten vanaf 1 maart 2025

De Belgische wet voorziet sinds 2008 in een specifieke precontractuele informatieplicht bij het sluiten van “commerciële samenwerkingsovereenkomsten” (vnl. distributie-, franchise- en handelsagentuurovereenkomsten).
De verlener van het recht (de franchisegever, distributiegever of principaal) dient de verkrijger van het recht minstens één maand vóór het sluiten van de overeenkomst een precontractueel informatiedocument (“PID”) te bezorgen met informatie over een aantal elementen die zijn opgesomd in Art. X.28 WER (in essentie informatie over belangrijke contractuele bepalingen en informatie om de commerciële samenwerkingsovereenkomst correct te kunnen beoordelen).
Indien na mededeling van het PID nog belangrijke contractuele bepalingen (zoals vermeld in Art. X.28, 1° WER) worden gewijzigd, dient de verlener van het recht een nieuw vereenvoudigd PID te bezorgen met daarin de belangrijkste wijzigingen tegenover het eerste PID. In geval van hernieuwing of wijziging van een bestaande commerciële samenwerkingsovereenkomst of indien tussen bestaande contractanten een nieuwe commerciële samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten, dient eveneens een vereenvoudigd PID bezorgd te worden met daarin de belangrijkste wijzigingen tegenover het eerste PID / de eerste overeenkomst.
Bij wet van 9 februari 2024 werd de lijst van informatie die in het PID verschaft moet worden reeds gewijzigd.
Deze lijst van informatie, die in de precontractuele fase dient te worden verschaft, wordt nu nog eens gevoelig uitgebreid als gevolg van een KB van 19 augustus 2024. Voor overeenkomsten die worden gesloten vanaf 1 maart 2025 dient volgende bijkomende informatie verschaft te worden:
- informatie over de uitbreidingsplannen van de persoon die het recht verleent in het betreffende handelsgebied;
- aanvragen voor exploitatie- of vestigingsvergunningen die door concurrenten werden ingediend met het oog op de uitbating van een concurrent verkooppunt in het handelsgebied (in zoverre de regelgeving dergelijke vergunning verplicht en deze informatie beschikbaar is);
- een overzicht en raming van investeringen die, zonder enige contractuele verplichting, gebruikelijk op regelmatige tijdstippen worden gedaan binnen het netwerk (bv. investeringen die andere franchisenemers van het netwerk, zonder enige contractuele verplichting, regelmatig doen om hun winkel up to date te houden); en
- geraamde exploitatierekening (conform een model opgenomen in bijlage van het KB) over een periode van minimum drie jaar zodat de persoon die het recht ontvangt zijn eigen exploitatierekening kan opstellen.
Los van het feit dat deze regelgeving opnieuw bijkomende verplichtingen met zich meebrengt voor (o.a.) de distributiegever, franchisegever en principaal, vallen er ook een aantal kritische bedenkingen bij een aantal aspecten te maken:
- het KB voorziet in een informatieplicht wat betreft de eigen expansieplannen en de gekende expansieplannen van concurrenten “in het betreffende handelsgebied”. Het concept “handelsgebied” wordt evenwel niet nader gedefinieerd, wat dus tot discussies kan leiden (bv. omdat er geen territorium werd bepaald in het contract, omdat het werkelijke klantengebied/invloedsgebied van de franchisenemer groter is dan het territorium dat aan de franchisenemer werd toegewezen, enz.);
- de verlener van het recht dient de verkrijger te informeren over aanvragen voor exploitatie- of vestigingsvergunningen binnen het handelsgebied die door concurrenten werden ingediend. Deze verplichting lijkt ervan uit te gaan dat een franchisegever steeds op de hoogte is (of behoort te zijn) van elke vergunningsaanvraag die door een concurrent werd ingediend. Meestal zal dit inderdaad het geval zijn (zeker voor sectoren waarin voornamelijk grotere ketens actief zijn), maar er zullen evident eveneens gevallen zijn waarin een normaal zorgvuldig franchisegever niet op de hoogte is van een vergunningsaanvraag; en
- de verplichting om een geraamde exploitatierekening te bezorgen kan leiden tot discussies en mogelijke vorderingen tegen de franchisegever indien de beoogde resultaten niet worden gehaald. De commentaren bij het KB vermelden dat uit deze verplichting geen resultaatsverbintenis voor de persoon die het recht verleent afgeleid mag worden wat betreft het welslagen van de exploitatie. Deze verwoording sluit mogelijke aansprakelijkheidsvorderingen in geval van aanzienlijke afwijkingen tussen het werkelijke resultaat en het geraamde resultaat evenwel niet uit.
De bijkomende informatieverplichting is van toepassing op nieuwe overeenkomsten die vanaf 1 maart 2025 worden gesloten of op bestaande overeenkomsten die na deze datum worden gewijzigd of hernieuwd.
Strikte naleving van bovenstaande regels is essentieel: niet-naleving van deze verplichting kan er immers toe leiden dat de rechter de commerciële samenwerkingsovereenkomst (of een aantal bepalingen daarvan) vernietigt en/of de verlener van het recht (de franchisegever, distributiegever of principaal) veroordeelt tot vergoeding van de schade die de andere partij heeft geleden als gevolg van de niet-naleving van de precontractuele informatieplicht.
Franchisegevers, distributiegevers en de verleners van andere rechten m.b.t. commerciële samenwerkingsovereenkomsten doen er dus goed aan om hun precontractuele informatiedocumenten opnieuw onder de loep te nemen.
Jan Van Camp
De Langhe Advocaten
