Close

21 oktober 2016

Wijzigingen in het douanerecht: is uw onderneming al UCC-proof?

Te land, ter zee en in de lucht: op 1 mei 2016 is de Union Customs Code (UCC), ofwel het Douanewetboek van de Unie (DWU), in werking getreden en dat heeft gevolgen op vele vlakken. Hoewel de inwerkingtreding van dit wetboek zeker niet als gevolg heeft dat Belgische ondernemingen, die geconfronteerd worden met zaken van douanerechtelijke aard, plots hun volledige supply chain moeten herbekijken, loont het toch de moeite om de aandacht te vestigen op de voornaamste wijzigingen.

Sommige wijzigingen zullen voor bepaalde ondernemingen leiden tot hogere douanerechten

Zo is het “First Sale For Export”-beginsel afgeschaft. Dit beginsel had een invloed op het bepalen van de belastbare basis van de douanerechten, de zogeheten “douanewaarde”. Bij een hele ketting van handelstransacties was men vroeger niet verplicht om de laatste (en vaak duurdere) transactie vóór de uitvoer naar de EU, als uitgangspunt te nemen voor het bepalen van deze douanewaarde. De waarde op het moment van een eerdere transactie mocht worden gekozen indien werd aangetoond dat deze al gebeurde met het oog op een uitvoer naar de EU. Dit principe had uiteraard als gevolg dat de verschuldigde douanerechten konden worden gedrukt. Men kan er immers van uitgaan dat er bij elke nieuwe transactie sprake is van een hogere winstmarge. Nu mag enkel nog rekening worden gehouden met de transactiewaarde die onmiddellijk voorafgaat aan de invoer van de goederen in de EU, ongeacht het oogmerk dat men reeds had ten tijde van eerdere transacties.

Een tweede wijziging die leidt tot hogere invoerrechten, heeft betrekking op de opname van royalty’s in de douanewaarde. Royalty’s zijn een onderdeel van de douanewaarde als ze een voorwaarde zijn van de verkoop en betrekking hebben op de ingevoerde goederen. Het is mogelijk dat er goederen worden verkocht door een onderneming die deze enkel vervaardigt of verkoopt terwijl een andere onderneming de merkhouder is. Voorheen moesten de royalty’s in die hypothese enkel in de douanewaarde worden opgenomen wanneer de merkhouder en de verkoper verbonden zijn met elkaar. Nu is deze voorwaarde afgeschaft waardoor de identiteit van de merkhouder niet meer van belang is. Royalty’s zullen dus in meer situaties moeten worden opgenomen in de douanewaarde met hogere douanerechten als gevolg.

De belastbare basis is tevens gewijzigd in de situatie waar te bewerken goederen onder de regeling van de “actieve veredeling” worden geplaatst en vervolgens als afgewerkt product op de Europese markt te belanden. Voorheen was in dat geval enkel over de ingevoerde goederen douanerechten verschuldigd. Deze zullen nu over het volledige afgewerkte product verschuldigd zijn. Er zal wel geen interest meer worden aangerekend voor de laattijdige betaling van douanerechten. Stel dat een Australische wolproducent een lading wol tijdelijk in het douanegebied van de EU, meer bepaald in België, binnenbrengt met het oog op een actieve veredeling tot volwaardige vloerbekleding. In principe zullen er, omwille van de regeling “actieve veredeling”, geen douanerechten over de wol geheven worden daar deze de EU normaal gezien na de veredeling onder de vorm van een afgewerkt product zal verlaten. Indien dit toch niet het geval is, waren er onder de vorige regeling enkel douanerechten over de waarde van de wol verschuldigd. Onder de nieuwe regeling zullen deze echter over de waarde van de vloerbekleding worden geheven.

Een aantal andere wijzigingen zijn eerder van logistieke aard

Zo heeft het nieuwe systeem van de “centralised clearance” als gevolg dat goederen bij eender welke douanedienst binnen de EU mogen worden aangegeven.

Ondernemingen die een statuut als “authorized economic operator”, i.e. een onderneming die in de gehele EU als betrouwbaar wordt beschouwd op het gebied van douanetransacties, wensen te verkrijgen, zullen voortaan moeten aantonen dat zij over de nodige praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties beschikken. Deze vereisten komen uiteraard bovenop de vereisten waaraan zij voorheen reeds moesten voldoen.

Ten slotte zullen de Bindende Tariefinlichtingen die na 1 mei 2016 zijn verleend, ook voor de houder bindend zijn en wel voor een termijn van drie jaar. Dit heeft als gevolg dat, wanneer een onderneming aan de Douane Administratie verzoekt welke goederencode van de douanenomenclatuur van toepassing is op de goederen die hij wil in- of uitvoeren, die onderneming verplicht zal zijn om deze goederencode daadwerkelijk in zijn aangifte in te vullen voor de duurtijd van de verstrekte Bindende Tariefinlichting.

Het nieuwe Douanewetboek van de Unie mag dan wel een aantal interessante en voorname wijzigingen inhouden, daar er overgangsbepalingen zijn voorzien tot 2020, dan nog hoeven deze geen aanleiding te geven tot ongerustheid. Voor het overige zullen deze wijzigingen bijdragen tot meer efficiëntie en meer vakkundige marktdeelnemers. Maar helaas (in sommige gevallen) ook tot hogere douanerechten…

Frank De Langhe

Gepubliceerd in VOKA – Ondernemers West-Vlaanderen, editie 16, 21 oktober 2016

Terug naar overzicht
WEBSITE DOOR CONCEPTTOSCREEN